Persverklaring en beslissingen inzake schorsing mr. Roethof

Persverklaring en beslissingen inzake schorsing mr. Roethof

Persverklaring 25 maart 2024 – beslissingen rvd Amsterdam over mr. Roethof

Op 12 februari 2024 heeft de Amsterdamse raad twee zaken tegen mr. Roethof op zitting behandeld: een klacht van de deken (het dekenbezwaar) en een verzoek van de deken om tenuitvoerlegging van een eerder aan mr. Roethof opgelegde voorwaardelijke schorsing (de tul-beslissing). Vandaag, 25 maart 2024, doet de raad uitspraak in beide zaken.

Dekenbezwaar (RvD Amsterdam 25 maart 2024 – 23-705 beslissing op dekenbezwaar)

De eerste zaak gaat over een klacht van de deken over mr. Roethof. De deken verwijt mr. Roethof dat hij in een strafzaak de aan zijn cliënt opgelegde beperkingen heeft geschonden. De raad oordeelt dat deze klacht gegrond is en legt mr. Roethof een onvoorwaardelijke schorsing op van zes weken. De deken en mr. Roethof hebben 30 dagen de tijd om tegen deze schorsing in hoger beroep te gaan. Een eventueel hoger beroep heeft schorsende werking; dat betekent dat de schorsing in dat geval nog niet ingaat.

De raad schorst mr. Roethof om de volgende redenen.

De strafrechtadvocaat van een verdachte die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek in volledige beperkingen zit, heeft het bijzondere privilege van vrije toegang tot de verdachte. Dit betekent wel dat ook de strafrechtadvocaat zich aan de beperkingen dient te houden.

Op basis van de van het Openbaar Ministerie verkregen Encrochat-berichten in combinatie met de mastlocatiegegevens valt met voldoende zekerheid vast te stellen dat mr. Roethof de aan zijn cliënt opgelegde beperkingen heeft geschonden door met derden informatie over de strafzaak van zijn cliënt te delen. Hierdoor heeft mr. Roethof artikel 46 Advocatenwet (betamelijkheidsnorm) en de kernwaarden onafhankelijkheid en integriteit (artikel 10a Advocatenwet) overtreden. Daarmee heeft mr. Roethof het vertrouwen in de advocatuur ernstig geschaad. Dit rekent de raad hem zwaar aan.

Ondanks de feiten kan de raad echter niet volledig uitsluiten dat mr. Roethof onbedoeld meer informatie heeft verstrekt aan derden dan hij gelet op de beperkingen van zijn cliënt mocht verstrekken. Verder is mr. Roethof in het verleden weliswaar meerdere keren tuchtrechtelijk veroordeeld, maar op dit gebied is hij een ‘first offender’ en is hij niet eerder tuchtrechtelijk veroordeeld voor het schenden van strafrechtelijke beperkingen. De raad acht – dit alles afwegend – een onvoorwaardelijke schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van zes weken passend en geboden.

Tul-beslissing (RvD Amsterdam 25 maart 2024 – 24-058 tul-beslissing)

De tweede zaak gaat over een voorwaardelijke schorsing van vier weken die de raad in het verleden aan mr. Roethof heeft opgelegd. Daarbij is destijds als voorwaarde gesteld dat mr. Roethof gedurende een proeftijd van twee jaar niet opnieuw een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat is in die proeftijd wel gebeurd. Daarom heeft de deken de raad gevraagd om de voorwaardelijke schorsing van vier weken ten uitvoer te leggen. De raad heeft dit verzoek toegewezen en bepaald dat mr. Roethof met ingang van 15 april 2024 vier weken wordt geschorst. Dit betekent dat hij dan vier weken zijn praktijk als advocaat niet mag uitoefenen. Hoger beroep is niet mogelijk.